Veelgestelde vragen
1.1 Wat is het doel van de Towards Sustainability-kwaliteitsnorm?
De kwaliteitsnorm stelt een geloofwaardig niveau en een hoogwaardige uitvoering van duurzaamheid vast voor financiële producten die zichzelf ‘duurzaam’ of ‘maatschappelijk verantwoord’ noemen – en gaat daarbij verder dan louter naleving van de wetgeving.
De norm werkt op drie assen:
1) Schade vermijden: geld mag niet naar activiteiten vloeien die algemeen als niet duurzaam gelden.
2) Positieve impact nastreven: financiële producten met het label moeten actief kiezen voor investeringen die bijdragen aan het milieu, sociaal welzijn of goed bestuur..
3) Transparantie: gelabelde producten moeten openbaar maken hoe ze die beide doelstellingen in de praktijk brengen
Het label is geen eindbestemming, maar een startpunt. Het geeft aan dat een financieel product op weg is naar duurzaamheid, niet dat het eindpunt al noodzakelijk bereikt is.
1.2 Mag een financieel product zelf invullen wat het onder ‘duurzaam’ verstaat?
Ja, maar alleen wat betreft het nastreven van een positieve impact. De beheerder van product is vrij om bepaalde thema's of een focus te kiezen. Er is bijvoorbeeld geen verplichting om in hernieuwbare energie te beleggen of klimaat boven sociale thema’s te stellen.
Welke investeringen zijn uitgesloten om schade te vermijden, wordt door de norm wel gedetailleerd vastgelegd. (Zie verder: Uitsluitingen)
Nog verplicht is dat de gekozen aanpak aantoonbaar impact moet hebben op de selectie van investeringen en de beheerder moet er transparant over zijn.
Besluit: Een financieel product mag naast een aantal verplichtingen deels zelf invullen wat het onder ‘duurzaam’ verstaat. Zo kunnen twee beleggingsfondsen met het label dus heel verschillende duurzaamheidsprofielen hebben, terwijl ze alle twee voldoen aan dezelfde minimale kwaliteitsnorm.
Although this Website may be linked to other websites, we are not, directly or indirectly, implying any approval, association, sponsorship, endorsement, or affiliation with any linked website, unless specifically stated herein.
You should carefully review the legal statements and other conditions of use of any website which you access through a link from this Website. Your linking to any other off-site pages or other websites is at your own risk.
Hieronder leggen we kort de verplichte en vrij te kiezen strategieën uit die een financieel product moet of kan toepassen om het Towards Sustainability label te halen
Wil je meer weten over deze strategieën om duurzaam te beleggen, kan je een gratis e-learning volgen bij onze partner Duurzaam Beleggen Academy.
2.1 Welke strategieën moet een financieel product verplicht toepassen?
Een gelabeld product combineert altijd drie verplichte strategieën plus minstens één extra hoofdstrategie:
1. ESG integratie: Dit houdt in dat investeringen worden geanalyseerd op hoe ze presteren op het vlak van het milieu (E), sociaal beleid (S) en goed bestuur (G). Integratie betekent dat deze ESG-analyses voor elke positie in de portefeuille systematisch worden meegewogen bij een beslissing om al dan niet te investeren.
Hierbij moet gekeken worden naar de zogenaamde dubbele materialiteit. Dit betekent dat je niet alleen kijkt naar hoe ESG-risico’s de financiële prestaties van een bedrijf beïnvloeden, maar ook welke negatieve impact het bedrijf omgekeerd heeft op milieu en samenleving.
2. Normatieve screening: producten met het label mogen niet investeren in bedrijven die structureel, herhaaldelijk en ernstig internationale normen schenden.
Welke internationale normen? Het gaat onder meer over het UN Global Compact, de UN Guiding Principles on Business and Human Rights, de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO).
Heel concreet gaat het bijvoorbeeld om internationale afspraken zoals een verbod op kinderarbeid of respect voor de mensenrechten en het milieu.
3. Uitsluitingen: bepaalde sectoren en activiteiten zijn categorisch verboden (zie sectie 3).
4. + Één extra hoofdstrategie naar keuze om een positieve bijdrage na te streven (zie vraag 2.2).
Minstens 80% van de portefeuille van een financieel product moet aan deze strategieën voldoen. De overige 20% mag bestaan uit ‘technische activa’ zoals bijvoorbeeld cash, niet-speculatieve derivaten of brede marktindexproducten voor de afdekking van risico’s. Deze moeten niet gescreend zijn, maar mogen het duurzaamheidskarakter van het product ook niet ondermijnen.
2.2 Welke extra hoofdstrategieën kan een financieel product kiezen?
Een financieel product met het label heeft de keuze uit verschillende strategieën om een positieve impact na te streven.
- Best-in-class/universe: alleen bedrijven die het best scoren op het vlak van milieu (E), sociaal beleid (S) en goed bestuur (G) komen in aanmerking voor een investering.
o Deze selectie van de beste bedrijven kan per sector (Best-in-class) worden gemaakt of voor het volledige beleggingsuniversum (Best-in-universe).
o Het resultaat moet zijn dat het aantal potentiële investeringen minstens 25% kleiner is dan zonder deze strategie.
- Thematisch beleggen: het product investeert in één of meer heel concrete duurzaamheidsthema’s. Denk bijvoorbeeld aan hernieuwbare energie, schoon water of circulaire economie.
o Minstens 70% van de geselecteerde bedrijven of 50% van het beheerd vermogen moet aan het thema gelinkt zijn. Bijkomend moet minstens 50% van de omzet van elk bedrijf afkomstig zijn uit dat thema.
- Impact investeren: het product streeft naar meetbare, aantoonbare positieve impact. Dit betekent dat de investeringen gaan naar bedrijven met een dienst of een product die een oplossing bieden voor een bepaald probleem.
- Beter presteren dan een benchmark: : een product wordt naast één of meerdere vergelijkbare producten gehouden en moet beter uit die vergelijking komen op bepaalde zelfgekozen ESG-indicatoren. Het gaat bijvoorbeeld om de CO²-intensiteit. Daarbij wordt gekeken naar hoeveel uitstoot er is per miljoen euro aan investeringen.
Beter presteren betekent concreet dat het product 15% beter doet dan die graadmeter of 5% beter als het om een ‘duurzame’ graadmeter gaat.
- Een andere strategie: er zijn nog andere manieren om een positieve bijdrage na te streven. Deze komen in aanmerking als ze door het labelingsagentschap achter het Towards Sustainbility label worden erkend en aantoonbaar leiden tot meer duurzame investeringen.
3.1 Hoe werken de uitsluitingen?
De norm sluit een aantal activiteiten categorisch uit. Dat betekent dat een product met het label er niet mag in investeren.
Hoe werkt dit concreet? In het algemeen geldt een drempel van 5% van de omzet óf 5% van de kapitaalinvesteringen (capex). Anders gezegd, bedrijven die meer dan 5% van hun inkomsten uit die activiteit halen of er meer dan 5% van hun investeringen aan toe wijzen, komen niet in aanmerking voor een investering.
Die dubbele toets is belangrijk: een bedrijf dat nog weinig omzet haalt uit een schadelijke activiteit maar er wel fors in investeert, wordt zo ook uitgesloten. Bedrijven die volop uitbreiden in uitgesloten sectoren blijven dus niet onder de radar.
Gelieerde entiteiten tellen mee. Een voorbeeld om dit duidelijk te maken: een investeringsmaatschappij die zelf geen tabak produceert, maar een dochteronderneming heeft die wel boven de drempels uitkomt, wordt toch uitgesloten.
Voor alle duidelijkheid: als een bedrijf onder de drempels blijft, dan is een investering niet automatisch toegestaan. De beheerder moet dit geval per geval beoordelen, motiveren en transparant communiceren.
3.2 Welke activiteiten zijn categorisch uitgesloten?
- Tabak: de productie, verwerking, distributie en verkoop van tabaksproducten, over de volledige keten, is verboden. Er zijn geen uitzonderingen voor alternatieve tabaksproducten of bedrijven die beweren te diversifiëren.
- Controversiële wapens: absolute nultolerantie, zonder drempel (zie vraag 3.3).
- Thermische steenkool: Dit is de winning van steenkool voor energieopwekking. Steenkool voor staalproductie valt onder een afzonderlijke beoordeling.
- Onconventionele fossiele brandstoffen: Dit gaat om olie uit teerzand, schaliegas en -olie (fracking), steenkoolgas, en fossiele brandstoffen uit arctisch gebied. Elk van deze categorieën is uitgesloten vanwege de combinatie van hoge CO₂-intensiteit, ecosysteemrisico’s en het ontbreken van een geloofwaardig transitieperspectief.
3.3 Welke wapens zijn absoluut verboden?
Als voorbeeld van hoe zo'n uitsluitingsbeleid in de praktijk werkt, gaan we dieper in op investeringen in wapens.
Voor controversiële wapens geldt een absolute nultolerantie. Elke betrokkenheid, hoe klein ook, leidt tot uitsluiting. Onder controversiële wapens vallen:
- Clustermunitie
- Antipersoonsmijnen
- Biologische en chemische wapens
- Nucleaire wapens
- Wapens met verarmd uranium of ander industrieel uranium
- Witte fosforwapens
- Blindmakende laserwapens
- Brandstofluchtexplosieve munitie (thermobarische wapens); dit zijn wapens die gebruikmaken van zuurstof uit de omgeving om een zeer krachtige explosie te veroorzaken.
Wat met andere wapens of investeringen in defensie?
Voor conventionele wapens en defensiematerieel gelden de gewone drempelregels. Bedrijven die minder dan 5% van hun omzet of investeringen halen uit de productie of verkoop van wapens, kunnen in aanmerking komen voor een gelabeld product.
De norm maakt ook een onderscheid voor toeleveranciers: bedrijven die gespecialiseerde onderdelen, uitrusting of diensten leveren die specifiek bedoeld zijn voor de wapenindustrie, mogen daar niet meer dan 25% van hun omzet uit halen. Die hogere drempel geldt alleen voor toeleveranciers, niet voor fabrikanten of verkopers van wapens zelf.
3.5 Hoe gaat de norm om met de fossiele sector?
De norm maakt een onderscheid tussen drie segmenten in de fossiele sector, met telkens een eigen logica.
Onconventioneel olie & gas — teerzand, schalievelden (fracking), steenkoolgas, extra zware olie en boringen in arctisch gebied — staat onder het strengste regime. Een bedrijf in dit segment komt alleen in aanmerking als het voldoet aan minstens één van de volgende voorwaarden:
- Het heeft een door wetenschappers gevalideerd klimaatplan (SBTi, gericht op maximaal 1,5°C opwarming).
- Het haalt minder dan 5% van zijn omzet uit deze activiteiten
- Onconventionele productie maakt minder dan 5% uit van de totale olie- en gasproductie
- Meer dan 50% van de investeringen gaat naar duurzame activiteiten.
Bovendien mag een bedrijf geen nieuwe onconventionele velden exploreren of ontwikkelen en mag de absolute productiecapaciteit niet toenemen.
Conventioneel olie & gas kent een vergelijkbare maar iets soepelere toets. Naast de criteria die ook voor onconventioneel gelden, kan een bedrijf ook in aanmerking komen als:
- De uitstootintensiteit wetenschappelijk aantoonbaar in lijn is met een maximale opwarming van de aarde met 1,5°C.
- Als minder dan 15% van de investeringen naar fossiele activiteiten gaat zonder uitbreidingsdoelstelling,
- Als meer dan 15% van de investeringen naar duurzame activiteiten gaat.
Ook hier geldt: geen exploratie van nieuwe velden en geen uitbreiding van de productiecapaciteit.
Bedrijven die aan geen enkel criterium voldoen — de achterblijvers — worden uitgesloten, ongeacht hun omzetcijfers. De beheerder is zelf verantwoordelijk voor die beoordeling en mag niet blind vertrouwen op externe ESG-ratings.
Energieopwekking kent per technologie aparte regels, vergelijkbaar met de steenkoolsector
- Bedrijven met steenkoolcentrales zijn uitgesloten zodra deze meer dan 5% van de omzet of de investeringen vertegenwoordigen, tenzij ze aan strikte transitievoorwaarden voldoen.
- Gascentrales zijn niet per se uitgesloten, maar vereisen een geloofwaardig transitieplan: aardgas geldt als overgangsenergie, niet als eindoplossing.
- Kernenergie is niet uitgesloten.
- Hernieuwbare energie wordt positief beoordeeld.
- Nutsbedrijven met een gemengde energiemix worden beoordeeld op hun totale profiel en transitietraject.
Voor toeleveranciers geldt dat zij niet meer dan 25% van hun omzet mogen halen uit gespecialiseerde producten, uitrusting of diensten die specifiek bestemd zijn voor de fossiele sector.
4.1 Wat zijn de minimale vereisten voor bedrijven in een gelabeld product?
Een bedrijf mag niet onder de uitsluitingen vallen en moet de voornaamste internationale normen respecteren (Zie sectie 2 en 3). Bovendien moet de beheerder voor elke investering een ESG-beoordeling kunnen aantonen, ook als er geen externe data beschikbaar zijn.
De portefeuille mag dus geen ‘ESG-blinde vlekken’ bevatten. Posities waarvan de potentiële impact volledig onbekend is, zijn met andere woorden niet toegestaan. Ontbrekende data moet de beheerder aanvullen via direct contact met het bedrijf zelf, derde partijen of onderbouwde schattingen.
4.2 Hoe worden banken en verzekeraars beoordeeld?
Financiële instellingen worden anders beoordeeld dan gewone bedrijven, omdat hun product het verstrekken van kapitaal is. De norm kijkt niet alleen naar de eigen operaties, maar ook naar wat ze financieren. Een bank die bijvoorbeeld zelf duurzame obligaties uitgeeft maar ondertussen steenkoolmijnen financiert via haar kredietportefeuille, voldoet niet aan de norm.
Concrete vereisten voor een financiële speler:
- Geen directe financiering van bedrijven in uitgesloten sectoren
- ESG-integratie in het krediet- en beleggingsbeleid
- Normatieve screening van de eigen klanten
- Transparantie over hoe ESG wordt toegepast in de eigen portefeuille en de kredietverlening.
4.3 Hoe gaat de norm om met staatsobligaties?
Staatsobligaties zijn leningen aan overheden. Deze worden apart beoordeeld. Overheden moeten voldoen aan minimale vereisten op het vlak van bijvoorbeeld democratie en rechtsstaat, mensenrechten, anti-corruptie en internationale verdragen.
Landen die structureel mensenrechten schenden of autocratisch worden bestuurd, worden uitgesloten.
5.1 Wat is actieve dialoog en wat verwacht de norm concreet?
Actieve dialoog of Stewardship houdt in dat de beheerder actief in gesprek gaat met bedrijven en druk uitoefent om duurzamer te worden.
De kwaliteitsnorm verplicht tot een formeel engagement-beleid met minstens vier elementen:
- Duidelijke doelen en –prioriteiten: klaarheid over de verwachtingen rond specifieke thema’s zoals de afbouw van de uitstoot, biodiversiteit, mensenrechten en genderdiversiteit in raden van bestuur.
- Een escalatieprocedure: als een bedrijf onvoldoende reageert, moet de beheerder stappen ondernemen — van vragen op aandeelhoudersvergaderingen tot stemming tegen het management, publieke verklaringen of uiteindelijk een desinvestering, de beslissing om de investering te verkopen.
- Stemrecht: beheerders moeten hun stemrecht uitoefenen bij minstens 50% van de bedrijven in sectoren met verhoogd risico zoals textiel, landbouw, mijnbouw, fossiele brandstoffen, cement, scheepvaart en luchtvaart.
- Rapportering: een jaarlijks rapport over de resultaten van het engagement, inclusief het aantal bedrijven waarmee er contact was, de gemiddelde duur van een traject en de uitkomsten.
6.1 Welke kwantitatieve eisen stelt de norm aan de portefeuille als geheel?
Naast de vereiste strategieën legt de norm drie meetbare verwachtingen op aan de niet-technische component* van de portefeuille, goed voor minstens 80% van de investeringen.
CO² intensiteit: de beheerder meet en publiceert de Weighted Average Carbon Intensity (WACI), inclusief scope 3-emissies als die betrouwbaar beschikbaar zijn. Een hele mond vol om aan te geven dat een product moet rapporteren hoeveel CO²-uitstoot er is voor elk miljoen euro aan investeringen, dit over de hele productieketen.
Die CO₂-intensiteit moet lager zijn dan die van de referentiebenchmark, of lager dan de regionale drempelwaarden die het labelingagentschap jaarlijks vaststelt. Een product mag deze vereiste één jaar niet halen, maar geen twee opeenvolgende jaren.
Genderdiversiteit: de beheerder meet en publiceert de genderdiversiteit in de raden van bestuur van de bedrijven in de portefeuille van het product. De norm verwacht dat de portefeuille beter scoort dan de referentiebenchmark, of dat minstens 33% van de bestuursleden van het ondervertegenwoordigde geslacht is.
Duurzame investeringen: de beheerder publiceert hoeveel procent van de portefeuille kwalificeert als ‘duurzame investering’ conform de Europese regels (SFDR art. 2(17)) en welke berekeningsmethode hij daarvoor hanteert.
Een minimumaandeel is nog niet verplicht, maar wordt ingevoerd zodra de Europese definitie voldoende is uitgekristalliseerd voor vergelijkbare rapportage.
*De ‘technische component’ van een portefeuille zijn activa zoals bijvoorbeeld cash, niet-speculatieve derivaten of brede marktindexproducten voor de afdekking van risico’s. Deze mogen maximaar 20% van de portefeuille uitmaken.
7.1 Welke informatie moet een gelabeld fonds openbaar maken?
De norm verplicht tot actieve transparantie op twee niveaus.
Op niveau van het investeringsbeleid: Transparantie over hoe schadelijke activiteiten vermeden worden, welke extra strategie wordt gehanteerd om een positieve bijdrage te leveren, en hoe de actieve dialoog georganiseerd is.
Op niveau van de portefeuille: informatie over de CO₂-intensiteit, de genderdiversiteitsscore, de activasamenstelling (bedrijfs- versus staatsobligaties, gelabeld versus niet-gelabeld) en het aandeel duurzame investeringen. Al deze informatie moet publiek beschikbaar zijn op de website van de beheerder.
Het Sustainability ID, de productfiche die je voor elk product met het label vindt op de website van Towards Sustainabiliy, vat die kernparameters per product samen op een gestandaardiseerd manier.
Dit Sustainability ID laat beleggers toe producten makkelijk onderling te vergelijken en in het rijke aanbod van gelabelde producten te zoeken op pakweg een bepaalde strategie om een positieve bijdrage te leveren of op een bepaald thema.
7.2 Wie controleert over de kwaliteitsnorm gehaald wordt en wat zijn de gevolgen van een schending?
De onafhankelijke controle is in handen van de Verifier, een partnerschap tussen de onderzoeksintelling Forum Ethibel, ICHEC Brussels Management School en Universiteit Antwerpen. De Verifier voert jaarlijks een audit uit.
Beheerders zijn verplicht significante wijzigingen in hun duurzaamheidsbeleid onmiddellijk te melden en mogen niet passief afwachten tot de jaarlijkse audit.
Afhankelijk van de ernst van de schending van de norm kan het CLA, het labelingsagentschap dat het Towards Sustainability label beheert, een aanpassingsperiode toekennen, het label schorsen of definitief intrekken.
Als een fonds het label verliest maar dit niet communiceert aan beleggers, kunnen beleggers en concurrenten juridische stappen ondernemen.
8.1 Hoe evolueert de kwaliteitsnorm?
Bij de lancering van het label in 2019 was er een tweejaarlijkse herziening voorzien. Zo is de kwaliteitsnorm in 2021 en 2023 telkens verstrengd.
Daarna werd gekozen voor een aanpak met thematische werkgroepen met heel diverse stakeholders die zich buigen over specifieke onderwerpen zoals klimaattransitie, biodiversiteit of sociale ongelijkheid.
In 2026 heeft het CLA, tegen de achtergrond van een afnemende prioriteit voor ESG – een ontwikkeling die zijn oorsprong vindt in de VS maar zich ook naar Europa uitbreidt – besloten om het label te evalueren en de kwaliteitsnorm opnieuw te herzien. Dit biedt tevens de gelegenheid om na te gaan in hoeverre het label aansluit bij de aanstaande herziening van de Verordening inzake de openbaarmaking van informatie over duurzame financiering (SFDR2).
De evaluatie zal plaatsvinden van september 2026 tot april 2027, met als doel de conclusies uiterlijk in juni 2027 te publiceren. Het proces zal worden uitgevoerd in overleg met vermogensbeheerders en andere belanghebbenden, zoals academici, het maatschappelijk middenveld en beleidsmakers.
8.2 Hoe verhoudt de kwaliteitsnorm zich tot andere Europese labels?
Het Towards Sustainability label wordt in Europees vergelijkend onderzoek gerekend tot de meest veeleisende brede duurzaamheidslabels.
Het is geen donkergroen label voor producten die in de eerste plaats impact beogen of het klimaat. Towards Sustainbilty is een brede norm die zo veel mogelijk beheerders en producten wil bereiken zonder concessies te doen aan de kerncriteria.